Volgers

zaterdag 18 mei 2019

Houellebecq, De mogelijkheid van een kunstinzicht? (ft. Sam Dillemans)


Ik vind het een aangenaam idee om vanuit Nietzsche terecht te komen bij Michel Houellebecq, waarvan ik vind ze ergens gemeenschappelijk grond delen.
More reviews of Houellebecq's "Submission", by Steve ...Laat ik eerst stellen dat ik enorm heb genoten van het essay dat we hebben mogen lezen: Leven, schrijven, lijden • methode (of in het frans: Rester Vivant: methode). Ik kon het cynisch/sarcastische uitdrukkingsvermogen en de fantastische inzichten enorm smaken.
Houellebecq richt zich in dat essay op de dichters en dus op zichzelf. Hij schreef namelijk zelf een reeks poëziebundels. Als we hier iets willen uithalen op vlak van kunstfilosofie zullen we het dus altijd moeten vertalen vanuit de dichtkunst. Tegelijkertijd besef dat ik dat er op deze blog tot nu toe bedroevend weinig is verschenen over de dichtkunst, dus is dit de perfecte gelegenheid.
Houellebecq vertrekt vanuit het lijden. Hij begint met een soort manifest over het lijden. Hij plaats het lijden als een soort oerkracht die ons hele universum orchestreert.  
Hou ook in gedachten dat dit alles te interpreteren is als een soort hyperbool, een schertsende (met cynische ondertoon) schijn-serieuze gedachtengang. 
Daarna verbindt hij de dichtkunst in de lijn van het lijden. Van dat punt wordt het een echte instructiebundel voor de dichter. Daarbij wordt er vooral gewerkt rond het beeld van de lijdende dichter, een misbegrepen individu, een mislukkeling, een soort ascetische kluizenaar binnen (of net op de rand van) de maatschappij. Feitelijk komt het beeld overeen met een soort modern, donkerder en minder dramatisch, overdreven 18de eeuws romantisch dichtersideaal.
De dichter wordt aangespoord te dansen op de rand van een overstelpend lijden, dat een totale verlamming en dood tot gevolg kan hebben. Hij moet juist genoeg zelfhaat hebben, juist genoeg steun in zijn omgeving, juist lang genoeg leven om iets van gedichten te brengen. Het water moet hem constant aan de lippen staan. Houellebecq stelt dat dan pas waarachtige dichtkunst tot uiting komt. 
Hoe ongemeend Houellebecq het ook heeft geschreven, toch herkennen we er zaken in. Het lijden is in de eerste plaats niemand vreemd. Ook het ideaal van de gepijnigde kunstenaar herkennen we wel.
We zouden kunnen refereren naar Picasso (de années bohémiennes in Parijs) en natuurlijk ons lichtend voorbeeld Van Gogh, maar daar hebben we het al genoeg over gehad.
We zagen tijdens de lessen een documentaire over Sam Dillemans (als aanvulling op Nietzsche) en nu zie ik veel ook veel van Houellebecq terugkomen. Ik zal ook proberen via Sam Dillemans de link tussen Nietzsche en de fransman uit te leggen.
Sam Dillemans past redelijk goed in het type van de marginale, ascetische kunstenaar, die zich volledig toespitst op de kunst. Ook al heeft hij al een zekere status bereikt, schijnt hem dat minder te interesseren. Hij verkoopt enkel wanneer hij geld nodig heeft. Hij leeft in een —laten we toch toegeven— zeer armzalig appartement. Afgebladderde muren, overal verf, stinkende sigarettenrook, sommige ruimtes kaal of juist propvol kunstwerken. Het is functioneel, meer niet.
Dillemans is ook zeer zelfbewust en heeft een duidelijke ethiek, vooral zijn bewondering voor Vincent Van Gogh is treffend.
Zien jullie geen gelijkenissen met het “ideaal” van Houellebecq?
Ik wel. Dillemans lijdt, maar roept geen medelijden op. Hij staat sterk in zijn schoenen. Hij bokst, wat zeker getuigt van enige structuur. Hij lijdt, maar hij stelt zich boven dat lijden. 

Ik vind zijn lijden op mentaal vlak dan weer een beter voorbeeld. Als we Dillemans bezig horen over zijn wil om te blijven schilderen (zo lang mogelijk leven om iets van het goddelijke over te erven), om iets van de status van Vincent Van Gogh over te erven, voel ik toch pijn: 
‘Vincent Van Gogh is een vrouw voor mij, één die ik nooit zal krijgen. Ik huil soms over Vincent van Gogh. […] Als Vincent Van Gogh waanzinnig was, teken ik meteen voor de waanzinnigheid.’
Het is een soort van machteloosheid die hij hier doet uitschijnen. Ook dat is lijden. Elke dag leven, principieel als hij is, met het idee dat hij nooit zal kunnen tippen aan de grote meesters, is een bron van pijn. Nu voel ik toch medelijden, of in elk geval een soort amicaliteit.
Hier kan ik een quote van Houellebecq op toepassen: ‘Als u de anderen een mengeling van angstig medelijden en minachting inboezemt, weet u dat u op de goed weg zit. U kunt gaan schrijven.’ De minachting mag hier gezien worden als een soort neerkijken (‘zo zou ik niet willen leven’). Niet per se een agressieve gedachte dus.
Op Houellebecqs weg van lijden komen wij bij Nietzsches kruispunt van ‘hoogste vluchten’. De Kunstenaar met de absolute ideeën. We stellen ons voor dat wanneer men zich ergens volledig in stort, men op bijna alle andere terreinen verlies lijdt. Men geeft veel op, of smacht naar zaken die niet meer te bereiken zijn. Men kan enkel maar vooruit, dieper de berghelling in. Ik heb het gevoel dat Houellebecq ons, in navolging van Nietzsches ideeën, op de mankementen, of beter gezegd: de consequenties, van die ideeën wijst. De hoogste vlucht beweegt zich door een ijle lucht van lijden en inspanning. Maar ver boven ‘de nevelen van onkennis’ ziet men een prachtige zonsopgang en in het verblindende oranjegele licht ontwaart men de onpeilbare flits van de eeuwigheid.

Ik wil alleen nog wijzen op een ander aspect dat Houellebecq naar voren schuift in verband met de taak van de kunstenaar, en bij uitbreiding de kunstenaar.

Kunstenaar Sam Dillemans
“Elke samenleving heeft haar zwakke punten, haar wonden. Leg uw vinger op de wond en druk er hard op. Spit onderwerpen uit waarover niemand wil horen. De achterkant van de façade. Hamer op ziekte, lelijkheid, verval. Spreek over de dood, over vergetelheid. Over afgunst, onverschilligheid, frustratie, liefdeloosheid. Wees abject, dan bent u waarachtig. […] Als u op onhoudbare tegenstrijdigheden uitkomt, zeg het dan. Want uw diepste missie is het graven naar het Ware. U bent de de doodgraver en u bent het kadaver. U bent het lijk van de samenleving. U bent verantwoordelijk voor het lijk van de samenleving. Allen even verantwoordelijk. Kus de aarde, uitschot!."

De dichter/kunstenaar als bode van de Waarheid, of juist de onderzoeker van het Ware, die met zijn kunstwerken de blik van de toeschouwer verruimt en hem de (mankementen van de) maatschappij toont. Daar zit wel iets in niet. Het heeft dan weer bijna iets Hegelachtigs. Misschien toch geen stof des verledens? 
Vaak zijn kunstenaars en hun kunst goede indicatoren van hoe een samenleving zich voelt, of geven ze juist een goede out of the box-view van hun eigentijdse leefwereld. Natuurlijk stellen anderen dat bijvoorbeeld poëzie tijdloos is; maar ik denk dat we in de gedichten van pakweg Rainer Maria Rilke toch iets terugvinden van de Belle Epoque. Ik denk dat we dit opnemen in onze denkbeeldige portfolio van wat kunst is en wat het kan. 
Zintuigspiegel gericht op het abstracte landschap.

Ik wil tenslotte Houellebecq bedanken voor de meest vermakelijke lectuur van dit semester en hem becomplimenteren om zijn rijke inzichten die hij wist op te slaan in de meest verhelderende teksten; in een duidelijk verstaanbare taal. Dit geheel kan ook nog eens niet serieus genomen worden, zodat hem al helemaal niets meer te verwijten valt —ook al is het ook een boodschap van hoop voor de vastzittende, worstelende dichter. 
Een samenwerking met Iggy Pop voor een (aan het essay) gelijknamige documentaire is in mijn ogen niets anders dan een terechte bekroning van zijn werk. 

Houellebecq is, onbedoeld, toch de waardevolste auteur voor mijn blog geworden. 

woensdag 15 mei 2019

Nietzsche... maar dan zonder Übermensch of Zarahoestra

Kijk uit, kijk uit!

Hier komt Nietzsche! Hij ploegt onbeweeglijk voort, van het ene aforisme naar het andere (zoals de Amerikanen tijdens de Tweede Wereldoorlog van eiland naar eiland “hopten” in hun strijd tegen de Japanners), met de ene visie na de andere. Met ironie, dramatiek en snijdende observaties als steenkolen raast hij verder over zijn papieren spoor. 
Nietzsche heeft een zeker aura van kracht, van doorzetting, van fundamentalisme, van destructie.
Nietzsche187a.jpgZijn visie is helder en hij rekent genadeloos af met andere ideeën, zonder zelf al te kortzichtig over te komen. Geen wonder dat Nietzsche in zijn eigen tijd verworpen is en nu ook nog kan choqueren (of tenminste de wenkbrauwen kan doen fronsen). ‘God is dood’  roepen is natuurlijk iets wat bijna dwingt tot polarisatie.
Als een echte ‘Philosophicus Universalis’, heeft hij onder andere met zijn (relatief) korte aforisme een heel scala aan onderwerpen aangeraakt, waaronder… kunst (u had het al geraden zeker?).
Om met de deur in huis te vallen: hoe begrijpt Nietzsche kunst?
Kunst is het verschijnen van de absolute ideeën van de kunstenaar. En kunst toont hoe we moeten omgaan met de zaken om ons heen en hoe we plezier moeten scheppen in het leven. Aan de andere kant stelt Nietzsche ook dat de overgrote meerderheid (“weldra” iedereen) van de mensen de kunst niet meer begrijpt.  We zouden zogezegd nog wel de ‘intensiteit en  veelsoortigheid van levensvreugde’ overhouden aan de voor ons vanaf nu onbegrijpelijke kunst. We kunnen slechts vol bewondering observeren.
Als ik deze ideeën nu projecteer op onze eigen tijd en eigen ervaringen, kan ik mij zeker wel vinden in Nietzsche. 
Om met mezelf te beginnen, stel ik vast dat wanneer ik naar kunst kijk mijn eerste en vaak enige vraag is wat de boodschap is die de kunstenaar heeft geprobeerd over te brengen. Ik kan een kunstwerk bewonderen om esthetische redenen (positie, verhouding, kleurgebruik, ritmes,…) , maar ik vraag me altijd wat de kunstenaar bedoelt; hoe hij tot zijn creatie is gekomen; waarom hij deze en gene keuzes heeft gemaakt. Het idee van Nietzsche om vol bewondering, maar zonder echt te begrijpen te kijken (of luisteren, of iets anders) naar kunst stemt hier nogal overeen vind ik. Natuurlijk stelt Nietzsche het veel extremer dan ik, maar de logica is wel dezelfde. Men loopt (en de “men” is hier de doorsnee mens; dus geen kunstenaar zelf of één of andere kunstkenner) vaak rond in een museum zonder echt te begrijpen, maar wel vol verwondering. 
Verder wordt gesteld dat de kunst het absolute idee is van de kunstenaar. Hij gelooft zelf tot het uiterste in de wereld om hem heen, of in ieder geval in bepaalde gedachtegangen (christendom, romantiek, het expressionisme, etc). Anders had hij er nooit een “echt” kunstwerk van kunnen maken.
Opnieuw kan ik me zeker wel voorstellen dat een kunstenaar die niet overtuigd is van zijn eigen gedachtewereld of ideeën ofwel een slecht kunstwerk zal maken ofwel niets zal maken (telkens maar zijn doeken verscheurt of zijn kleien beelden stuksmijt). We merken juist vaak een zeer begeesterde mentaliteit, die een heldere visie heeft over de onderwerpen waarover hij de kunst maakt (cf. Sam Dillemans)
WebMuseum: Gogh, Vincent van
De onrust is voelbaar; maar waarom?!
Achteraf zien we wel dat de kunstenaar in een oud idee geloofde, of een idee dat we nu als “geschiedenis” of “fout” beschouwen. Vergelijkbaar met hoe we de kunststromen nu opdelen in bv. romantiek, realisme, impressionisme,… We kunnen er slechts op terugblikken. (Zoals we ook in de eigen actualiteit weinig overzicht hebben).
Van Gogh —om hem nog maar eens te gebruiken— was zeker wel overtuigd van een bepaalde realiteit, van een zekere onrust en dat zien we steeds meer terug in zijn latere werken. Hij had een eigen absoluut idee geschapen (een soort absoluut streven om te schilderen).
Natuurlijk vereenzelvigen we ons niet met Van Gogh of met dat streven; we plaatsen hem nu in het post-impressionisme en we maken een analyse van zijn mentale stoornis, maar niemand snapt werkelijk hoe Van Gogh zich voelde of kan zich vereenzelvigen met zijn ideeën. We kunnen slechts tot op een bepaalde hoogte binnendringen in de wereld van zijn kunstwerken, met een nederige (steeds vergezeld van een vleugje medelijden) bewondering.

Wat ik zeker apprecieer bij Nietzsche is dat hij veel vanuit de verhouding van de kunstenaar tot de kunstwerken en  het publiek werkt. Hij schets een veel herkenbaarder (na enig denkwerk alleszins) beeld van kunst. Waar Hegel het in bedekte, algemene en vage termen heeft over kunst, stampt Nietzsche Hegels stoffige deur in werpt hij met een felle fakkel licht op de kunstkamer. Of onze hartstochtelijke Duitser het helemaal juist heeft, moeten we nog zien, maar het is in elk geval een (chronologische) stap in de juiste richting.

Een laatste noot: ik merk zeker wel het verschil in tijdsgeest. Waar Hegel nog echt in het Ancien Regime zit en de overwegend christelijke kunst, kunnen we Nietzsche echt al situeren in de ‘Bel Epoque’ met de opkomst van het impressionisme en de veel wervelendere tijdsgeest van het industriële gedachtegoed. Deze laatste kunsten zitten ook dan ook dichter bij ons beeld van kunstenaars, kunst en “vrijheid” (d.w.z. de mens als vrijgevochten, vrijdenkend en open wezen; denk aan laat 19de-eeuws Parijs met Picasso, Van Gogh, Monet,…). Nietzsche zelf schijnt trouwens zeer veel invloed te hebben gehad op de expressionistische kunststroming. Geen wonder dat we Nietzsches ideeën dus veel duidelijker vereenzelvigen met “onze” kunst.


maandag 29 april 2019

Bijdrage aan het werk van Louise De Raet.

Omdat Louise ons wat in duister laat wat betreft haar werk, lijkt het mij opportuun een wat alternatieve opdracht uit te voeren: geen bespreking, maar een bijdrage aan het werk van mijn groepslid. Ik schreef een relatief korte tekst, luisterend naar haar vraag om tekst ter ondersteuning van haar werk. Het kan beschouwd worden als een verhaal dat ten minste een aantal mensen wat tot denken zal aanzetten. Natuurlijk is de link met kunst nooit ver weg (hoe kan het anders, met zo'n blognaam?)

De kunstenaar riep de hemel uit tot zijn kunstwerk. De titel? 37.
Hij sloeg de wereld met verstomming toen hij in alle kranten, tijdschriften, radiouitzendingen en televisiejournaals kalmpjes aankondigde dat hij had besloten 37. op een kunstveiling te verkopen. In een walm van wierook en in een robijnrood gewaad verscheen hij op interviews. Op zijn gezicht waren verschillende ingewikkelde patronen geverfd en in zijn beide wangen had hij piercings. Met een zachte, ongelooflijke lage stem beantwoordde hij afwezig de vragen van de interviewers, alsof hij ondertussen bezig was in een hogere realiteit nieuwe kosmische verbanden te ontrafelen. Maar af en toe sloeg hij zijn ogen op en keek hij recht in de camera en die ogen; ze waren zwarter dan zwart en menige kijker kreeg het gevoel dat hij in het zwart verdronk, zoals een eenzame weerballon in het oog van de orkaan wordt weggezogen en volledige tot niets vergaat;  of zoals een  draaikolk in een kolkende rivier een stuk drijfhout wegzuigt en pas tientallen meters verder weer naar boven laat komen. Zo voelden de mensen zich die in de ogen van de kunstenaar keken en op dat moment geloofden ze hem. Ze voelden dat hij in staat was om zoiets onbevattelijke als de hemel tot de zijne te maken. Met zijn filosofische zegswijzen en spirituele stellingen kon hij ook de meer kritische geesten wat op afstand houden. Enkel in bepaalde kringen was er een hevige weerstand. 
Vele kunstenaars uitten namelijk kritiek op hem, maar ze konden hem niet meer raken; ze zaten vast in hun kleine atelier of konden enkel wat uitvliegen tegen passanten in hun gallerijtjes.
Ook sommige kunsthandelaars keurden af wat hij deed. Als hij nota bene de hemel kon verkopen, wat zat er dan voor hen in? Zij, die in feite bepaalden of een kunstenaar nu wel of geen succes had, zouden toch niet meer au sérieux worden genomen als ze handelden in hemel, de maan of andere belachelijke zaken.
Ook de filosofen waren verontwaardigd. Kwaad schreven ze op hun blogs, columns en dergelijke hoe 37. een nieuwe, duistere fase ging inluiden in het kunsthistorisch besef van de mensheid.
Maar temidden van de kunstenaars gingen de meest begerige van hen nadenken en kwamen tot de conclusie dat het nog niet zo’n gek idee was. Als Malevitsj wit op wit kon slijten bij de kunsthandelaars en Yves Klein een ruimte kon uitroepen tot kunst, zouden zij toch ook wel, mits het in acht nemen van bepaalde redeneringen en regels, zulke zaken kunnen nadoen?
Bij de kunsthandelaars, kwamen de meest op geld beluste mannen in het donker samen. Ze zagen wel het potentieel in van een nieuwe kunstrevolutie, waarin doormiddel van smoezen, droombeelden en ingewikkelde drogreden men zich van alles en nog wat kon toe-eigenen. Het was vuil spel, dat is waar, maar vuil spel verdient dan ook bijzonder goed.
De meest aandachtsgeile filosofen besloten om zich toch in de controverse te storten en juichten luidkeels de ideeën van de kunstenaar toe en kregen zelf eindelijk de interviews en algemene media-aandacht waarvan ze altijd al hadden gedroomd.
Op een druilerige dinsdagochtend klonk de benepen stem van de veilingmeester door de micro en kondigde aan dat 37. officieel was verkocht aan de heer Lloyd, een steenrijke bankier voor de som van 218,46 miljoen dollar. Hij was nu de trotse bezitter van de hemel. Hij lijstte het certificaat van aankoop in en keek dromerig naar de grijze wolken. Daarna liet hij een volledig glazen huis bouwen, zodat hij zijn kunstwerk voortduren kon bewonderen.
Buiten, in de snelle wereld van tegenwoordig, bleef het rustig doorstormen. Op de sociale media ontstond steeds meer een verzuiling van de voor- en tegenstanders van het bestaan van 37. en steeds meer mensen bemoeiden zich met de problematiek. Het debat laaide hemelhoog op toen mijnheer Lloyd een vliegtuigmaatschappij aanklaagde voor het schenden van zijn bezit —een vliegtuig was boven zijn huis gevlogen— en won tegen alle verwachtingen in de rechtszaak. Daarna grepen de overheden in en werd het debat naar een nationaal niveau getrokken. Moest men zulke kunst verbieden, of moest er een wet komen op het dematerialiseren van het statuut van kunst, die alleen gold voor de kunst die niet door de kunstenaar zelf was gecreëerd? Op het moment dat de regeringen licht geïrriteerd besloten een referendum te organiseren om deze vraag voor te leggen aan het volk (bepaalde collectieven van kunstenaars, kunsthandelaars en filosofen waren tegen dit wetsvoorstel in gegaan), kondigde de tweeënveertigjarige kunstenaar Niels Oberskøld aan dat hij het werk Water, Earth and Slight Modesty naar een kunstveiling ging brengen. Het betrof de fjord en aanliggende landtong die vanuit zijn slaapkamer waren te zien in het kleine Noorse dorpje Kåfjords. Daarmee kan gezegd worden dat het hek van de dam was. De media speelde handig in op het onderwerp van controverse dat al maandenlang voor enorme kijkcijfers en algemene aandacht zorgde. Al snel volgde Mohammed Ib’Quali Oberskøld op met الموت للوطن الام (hij riep de Sahara uit tot zijn kunstwerk), die zelf werd nageaapt door Léon Dumarché die zijn vrouw tot kunst uitriep. Geen mens die toegang had tot de nodige internetconnecties kreeg genoeg van het debat en iedereen had wel een mening te verkondigen, want iedereen had wel ergens kunst liggen. Een trotse vader bracht de tekeningen van zijn vierjarige dochter naar de kunstbeurs en een roekeloze zwerver maakte aanspraak op de volledige kluisinhoud van een bank in zijn stad. Het staatshoofd van Soedan riep het naburige Centrale Afrikaanse Republiek uit tot zijn kunstwerk en viel het prompt binnen en ontketende zo het meest bloedige conflict van de voorbije decennia.  De westerse regeringen zaten met de handen in het haar, want het debat werd gekaapt door allerhande opportunistische groeperingen die onder mom van “vrije kunst” op allerlei zaken aanspraak maakten. De Chinese techgiganten verkochten hun waar onder het statuut van kunst en konden zo de strenge invoerrechten van westerse landen omzeilen. Ook een deel van de zuidpool, ondergronds aanwezige aardolie incluis, werd geclaimd door Chili, dat wel geïnteresseerd was in het worden van de machtigste speler in de oliewereld.
En de kunstenaar? Hij werd na drie weken stilte in zijn appartement gevonden, omdat het lijkvocht door de vloer in keuken van de onderburen was beland. Zijn opgezwollen lichaam hing nog steeds aan de keurig geknoopte strop en de rechercheur kon op zijn gelaat duidelijk een grimas van uiterste teleurstelling en desillusie vaststellen. Door de ramen zag de rechercheur tegelijkertijd de enorme massa mensen die op straat kwam om te betogen "tegen kunst en kunstenaars in het algemeen”. In de meeste steden werd die nacht verlicht door de talrijke brandende musea en de grote schilderijverbrandingen die overal plaatsvonden. Het Louvre, het Guggenheimmuseum en consorten werden met de grond gelijk gemaakt door een woedende massa. Een waterig zonnetje belichtte de volgende ochtend het rokende puin van het huis van mijnheer Lloyd.
De eerste ministers, dictators en presidenten haalden in hun kantoren opgelucht adem en durfden eindelijk weer “nee” te zeggen.

zondag 28 april 2019

Hegel, Staub der Vergangenheit?

Georg Friedrich Hegel.

Ondanks al het gezucht en gefrons voelen we dat we onmogelijk om hem heen kunnen. Wie was deze Duitser? Wat heeft hij ons te zeggen over kunst?
Deutschland und die Ostmark: Deutschen Romantik - German ...
We zijn vorige keer geëindigd met ons af te vragen hoe we Plato’s kunstidee misschien beter konden begrijpen. We beseffen namelijk dat het zeer waarschijnlijk is dat we onze kunst totaal anders beleven dan onze goede oude (doch onterecht conclusies trekkende) Griekse vriend. De vraag is dan als volgt: hoe werd de kunst beleefd in de Klassieke Oudheid? (We vergeten hier eventjes dat het slechts gaat om een gratuit idee om van de ene filosoof naar de andere over te stappen)

Het interessante aan Hegel is dat hij enorm veel gezegd heeft over kunst en hij kan ons in feite meteen een antwoord geven op deze vraag (hoera!!).
Eerst een korte uiteenzetting van zijn basisideeën: 
a) Hegel is ervan overtuigd dat hij het hele universum en elke mogelijk concept uiteindelijk in een zaak kan vervatten. We hebben het over de “En panta” (of voor de trotse Grieken onder ons: Ḗv παvτα)-filosofie. Alles in één. Het algemene is vervat in het particuliere en het particuliere schijnt door in het algemene. Binnen zijn filosofie gaat Hegel dus proberen alles te herleiden tot één concept en tegelijkertijd van daaruit alles te begrijpen.
b) Hegel hangt de filosofie van de Geest aan, waarbij we de Geest kunnen definiëren als de eindhalte van het zelfbewustwordingsproces van de mens namelijk bewust worden dat “hij een vrij wezen is. De Geest is iets wat door alles heen schemert en wat we volgens Hegel nog niet hebben bereikt. De mens is dus op weg naar de Geest en Hegel is van mening dat zijn filosofie die Geest volledig blootlegt en dat we dus op dat moment niet meer verder te hoeven zoeken. Ondanks het feit dat dit een nogal egoïstisch idee is; is het misschien nog steeds de moeite om naar Hegel te luisteren.
c) Hegel gebruikt, net als Kant, het dialectische proces, maar heeft het volledig geïmplementeerd in zijn filosofie. Zo ook de evolutie en de geschiedenis van de kunst.
Hegel ziet kunst namelijk als de veruitwendigen van de vrijheid in de zintuiglijkheid, waarbij de vrijheid volledig is: de mens kan elke gedachte opleggen aan de natuur (een schilderij, een beeldhouwwerk, enz.). Hegel plaatst kunst als derde laatste stap voor men het Ev (van de παvτα) bereikt. De kunst is een opstapje voor de religie (waarbij men niet meer vasthoudt aan de materie) dat op zijn beurt leidt naar filosofie waar men een volledig begrip heeft (terwijl men nog binnen de religie gist naar de waarheid).
De geschiedenis van de kunst wordt door Hegel onderverdeeld in drie stappen.

  1. Symbolische kunst. De mens probeert in die fase zich te verzetten tegen de natuur en gebruikt kunst als een manier om onderscheid te maken tussen hem en zijn omgeving. Het zelfbewustzijn (de Geest dus) wordt wel gemystificeerd, waarbij men de eigen verworven ideeën wegsteekt in tradities, folklore en mythes. We merken wel dat er overeenkomsten zijn tussen de visie van Hegel en Plato over de kunst. Ze worden allebei gezien als iets dat minder waard is (Hegel schenkt hoe dan ook meer waarde aan de hogere, meer ontwikkelde kunst) en waar Plato de kunst ziet als iets dat ver van de waarheid is en misschien meer aandacht schenkt aan de natuur (die zuiverdere vormen bevat), kunnen we een analogie trekken met Hegels vaststelling dat kunst zich afzet tegen de natuur. Nog steeds denk ik wel dat Plato niet zo negatief mag staan tegenover de kunst. De mens probeert iets, hij handelt in wat voor hem zeker is. Hegel zelf schijnt vrij onbewogen te staan; hij ziet enkel een noodzakelijk dialectisch proces plaatsvinden
  2. Klassieke kunst. De mens is bewust geworden van zijn verschillen met de natuur en is nu op zoek naar hoe hij zijn eigen ideeën kan opleggen aan de natuur. Zo ontstaat er een drang naar kundigheid en een hang naar perfectie. Hoe verfijnder de kunst, hoe beter. Hiermee ontstaat ook een gevoel voor harmonie, van wat voor de mens misschien het de meest ultieme verschijnings- of bestaansvorm kan zijn.
  3. Romantische kunst. Los van hetgeen we vandaag benoemen als de Romantiek, bedoelde Hegel eerder de kunst die hij om zichzelf heen zag of die hij voorspelde. Hegel heeft het over een kunst waarvan de vorm steeds willekeuriger wordt. De mens heeft begrepen dat hij nooit echt in staat zal zijn om perfectie of het goddelijke af te beelden. In Hegels ogen staat deze kunst (noodzakelijkerwijs) het dichts bij de Geest zelf; de mens is vlakbij de volledige zelfbewustwording. In zijn ogen hoeven we na hem ook geen kunst meer te maken. Enkel nog een kunstwetenschap is nog van belang (het verleden begrijpen).



Hegel heeft  ook een echt werk geschreven over de esthetiek. In zijn inleiding probeert hij te verdedigen waarom men de kunst zou moeten onderzoeken, waarbij hij op die manier ook al uitspraken maakt over kunst. Kunst is volledig vrij (een product van de fantasie), en richt zich op de innerlijke beschouwing. Dat is natuurlijk allemaal goed en wel en het is zeker de moeite om ons af te vragen of we kunst zouden moeten onderzoeken, maar in mijn ogen spreekt Hegel hier naast de kwestie. Voor hem is kunst ‘voorbij' en is iets wat “in de toekomst” door bij wijze van spreken oude mannetjes in musea bestudeerd zal worden. Het komt niet in hem op open te staan voor misschien totaal nieuwe vormen en betekenissen van kunst. 
Door van zichzelf het eindpunt te maken, plaatst hij zichzelf ook in de schaduw. De geschiedenis geeft hem ongelijk en zijn onleesbare boeken kunnen slechts dienen als naslagwerk of, in ons geval, als een vergelijkend werk. Bovendien kruipt Hegel niet genoeg in de huid van de kunstenaar. Voor zover we hem hebben gelezen, blijft Hegel te beschouwend en leeft hij zich niet in in de werkelijke gevoelsmatigheid van die een kunstenaar aan de dag moet brengen. Ook de ijdele poging om alles tot één zaak te herleiden doet afbreuk aan zijn esthetische beschouwingen. De wereld is geen verzameling van concentrische cirkels of oneindig onderverdeelbare driehoekjes, maar een warrig, onoverzichtelijk net van connecties en wederzijdse beïnvloedingen. Hegel heeft onomstotelijk een grote invloed gehad op onze samenleving, filosofie en dus uiteindelijk ook de kunst. Hij is zeker de moeite waard om te bestuderen, maar een compromisloze, strakke filosofie kan men uiteindelijk moeilijk verbinden aan de rondstuiterende, hyperactieve, wervelende kunst. Bovendien doet Hegel oud aan; niet alleen zijn het feit dat hij effectief twee eeuwen geleden zijn ideeën formuleerde en dus de boot miste qua alle nieuwe ontwikkelingen op elk vlak van de beschaving, maar ook komt hij als een oude man over, die misschien zelfs in zijn eigen tijd niet meer volledig mee is met de eigenlijke energetische beweging van dat moment. Het voelt alsof hij slechts over het verleden kan schrijven en niet over zijn heden.
Deze twee aspecten hebben als gevolg dat het beeld dat ik van kunst heb weinig bij hem terugvind. Zowel in de (vage) omschrijving ervan als de betekenis, de waarde van kunst.


Ik heb besloten weinig van Hegels ideeën mee te nemen (of er tenminste weinig op te steunen). Het is af en toe fijn ons in te leven in zijn manier van denken, maar uiteindelijk kan en moet men er ook weer van af stappen.

dinsdag 22 januari 2019

Plato en Tuymans, een tweede stap (of hoe we komaf maken met Plato



Volgend op de vorige post lijkt het interessant om verder te gaan op bepaalde filosofen; het is tenslotte een module kunstfilosofie (Kant scheen al niet zo'n slecht idee).
Wie filosofie zegt, zegt waarschijnlijk geschiedenis van de filosofie (een schijnbaar aantrekkelijk vak binnen de Bachelor Filosofie op onze universiteiten).
Wie geschiedenis van de filosofie zegt, zegt waarschijnlijk "Bakermat van de Westers Filosofie" (want we gaan graag terug tot de oorsprong van zaken).
Wie dat zegt, bedoelt waarschijnlijk de  Griekse filosofen (maar heeft Heidegger gelezen, of heeft een hoge dunk van zichzelf, of allebei).

Goed, de Griekse filosofen; wat hebben zij te zeggen over kunst?
Eén is er al kristalhelder over: Plato.
In zijn Politeia zet hij (via het personage Sokrates) zijn ideeën als volgt uit elkaar: alle zaken die wij waarnemen op aarde hebben in een andere (hogere) realiteit een perfecte representatie van zichzelf. Zo zijn alle paarden ter wereld een afspiegeling van een "perfect" paard, dat in een andere dimensie zit. Hetzelfde geldt voor stoelen (de Perfecte Stoel), of nagelschaartjes (de Perfecte Nagelschaar). Die perfecte vormen noemt hij Ideeën (ἰδέα). Nu stelt hij het volgende: wanneer een handarbeider (bv. een wapensmid) een voorwerp maakt, doet hij dat met een 'perfecte' representatie van dat voorwerp. Een de wapensmid heeft in gedachten dus een perfect bronzen zwaard. Het voorwerp dat hij uiteindelijk vervaardigd is iets dat zijn 'Idee van bronzen' zwaard benaderd.Plato - Ancient History EncyclopediaWanneer een kunstenaar een muurschildering maakt van een bronzen zwaard (in de handen van één of andere grote Griekse held), dan zegt Plato dat die afbeelding een afspiegeling van een afspiegeling is. Hij heeft zijn bronzen zwaard namelijk gebaseerd op het onvolkomen bronzen zwaard van de wapensmid. Als een beeldhouwer een Achilles met een bronzen zwaard houwt, dan is het (stenen) zwaard ook een afspiegeling van een afspiegeling.
Plato's conclusie is zowel logisch als controversieel: kunst is iets laags en slechts, wat zo veel mogelijk moet gebannen worden uit de maatschappij; het is nodig zo dicht mogelijk tegen het ware en perfecte aan te leven.
Hierdoor komen we in een probleemstelling: als Plato kunst zo verwerpelijk vindt, heeft het dan nog zin om kunst te beschouwen; heeft kunstfilosofie dan nog zin? Heeft deze blog dan nog enige zin?
Een mogelijkheid is om Plato's visie op kunst verder door te drijven.
In 2014 spande Katrijn Van Giels, een fotografe van De Standaard, een rechtszaak aan tegen Luc Tuymans omdat hij haar foto als basis voor zijn schilderij heeft gebruikt. Als we hierop Plato's filosofie toepassen krijgen we: een kopie, van een kopie, van een kopie (als we er van uitgaan da er een perfecte Jean-Marie-Dedecker bestaat in een andere dimensie). Volgens Plato staat dit enorm ver van de waarheid. We kunnen ons dus voorstellen dat de filosoof enkel neerbuigend zou hebben gereageerd of vol walging had opgekeken naar het kunstwerk.
Face of Flanders: “A Belgian Politician” | Flanders TodayMaar is Tuymans niet één van de meest succesvolle kunstenaars van België? Worden zijn kunstwerken niet door heel Europa geapprecieerd? Een manier om deze patstelling tussen Sokrates en Tuymans uit te leggen, is dat voor Sokrates zijn idee van waarheid(/visie van Ideeën) zijn volledige blik op de wereld bepaalt. Daar tegenover staat dan Tuymans die kunst maakt om een statement te maken, of om zijn innerlijke gedachten op het doek over te brengen. Het is dus een kwestie van perspectief, om het eventjes simpel te stellen. Maar wie heeft er gelijk?
Wat al zeker vaststaat is dat Plato's ideeënleer vaak wordt aanzien als oud. Veel mensen vinden het op het eerste gezicht een mooi idee, maar na het lezen van 'De Staat' of dit fragment trekken velen de wenkbrauwen op. Bepaalde logische conclusies van die ideeënleer leiden tot concepten die ons angst aanjagen en totaal voorbijgaan aan onze huidige ideeën, normen en waarden. Tuymans daarentegen voldoet aan onze verwachtingen van maatschappijkritiek en originaliteit. De schilder is van onze tijd en schurkt dichter aan tegen ons eigen denken (tegenover, soms onbegrijpelijke, oude denkwijzen).
Naast deze redenering kunnen we ook stellen dat Tuymans' "kopie" meer is dan een simpele afspiegeling van de foto van Katrijn Van Giels. De schilder gebruikt de foto als een springplank om met een sterk beeld een eigen boodschap te brengen. Bovendien is het een totaal ander medium. Zoals de Adrian Searle in het artikel "Tuymans' Stalen Gezicht" ook zegt, is het schilderij op zich al een argument tegen de plagiaatbeschuldiging.
Ik vind het dus ook onterecht om het kunstwerk van Tuymans plagiaat te noemen. Zoals op zo veel vlakken denk ik juist dat kruisbestuiving en het gebruiken van elkaars ideeën aan te moedigen is. Als iedereen met zijn eigen ideeën moest afkomen, zouden we helemaal niet ver staan. De mens is van nature uit een wezen dat kopieert. Opvoeding is niets anders dan dat de ervaren mensen de onervaren mensen het voorbeeld tonen en dingen aanleren. Ik denk dat de hele plagiaat-heisa eerder is ontstaan uit miscommunicatie en andere sociale valstrikken. Dat is natuurlijk jammer. (Tuymans doet wel vaker dit soort zaken en haalt beelden uit allerlei hoeken -zelfs films-, werd nog nooit eerder beschuldigd van plagiaat).
Conclusie: kunstfilosifie heeft wel degelijk zin (en bijgevolg deze blog -godzijdank- ook). Plato's visie is gedateerd en eigenlijk slecht verdedigbaar (in onze 21ste eeuwse context althans).
Als afsluiter kunnen we proberen Plato's theorie wat te doen wankelen. Het is voor mij niet duidelijk welke zaken er allemaal een eigen perfecte, oorspronkelijke versie hebben. Zijn dit alle voorwerpen? Of alle levende wezens? En in hoeverre heeft elk specifiek voorwerp een eigen Idee?  Zouden we kunnen stellen dat er ook een perfect schilderij bestaat en dat elke schilder dat probeert te benaderen? Hiermee kunnen we aantonen dat Plato zijn eigen theorie ook maar op een bepaalde manier benaderd; volgens zijn eigen tijd. Dat zie je op de manier waarop hij denkt dat goede schilders domme mensen gaan misleiden en hij zal waarschijnlijk niet meer hebben gekend dan beeldhouwers, mozaïekleggers,  schilders en muzikanten.

Wat was kunst trouwens in de Klassieke Oudheid?

Een zekere Georg Wilhelm Friederich Hegel weet hier meer van.
















zondag 13 januari 2019

De eerste aarzelende stap binnen kunstfilosofie (Kant)

Kunst.

Wat is Kunst?
Na wat onderzoek merken we dat de definities al heel snel uit elkaar lopen. We kunnen onderscheid maken tussen de verschillende kunstvormen, ons afvragen of elke menselijk handeling kunst is, of de natuur ook kunstzinnig is, we kunnen zeggen dat pas vanaf het Romantisme kunst kunst is geworden (een vrijwillige handeling, gericht op het uitdrukken van ons waarlijke mens-zijn) en niet de "kunst op bestelling" van de voorafgaande millennia, we kunnen zeggen dat Moderne Kunst geen echte kunst meer is (waarmee we - misschien onterecht- beweren dat kunst om artistieke vaardigheden vraagt en dat alle moderne kunstenaars volslagen nietsnutten en imposteurs zijn), we kunnen zeggen dat kunst cyclisch is, dat kunst dialectisch is, dat we in een onomkeerbare "kunstevolutie" zitten, we kunnen argumenteren dat er goede en minder goede kunst is, dat kunst enkel materieel is, dat kunst onontbeerlijk is, of nutteloos.
We kunnen ons ook afvragen of het zin heeft om op iets als kunst een definitie te plakken (waardoor we het toch definiëren als iets waar onmogelijk of moeilijk een definitie op te plakken valt). Wat wel vaststaat is dat kunst slechts in zeer algemene termen te vatten is. Het aloude Van Dale woordenboek (druk uit 1950) stelt: "Het vermogen van de kunstenaar en de toepassing daarvan; het vermogen dat wat in geest of gemoed leeft of daarin is gewekt tot uiting of voorstelling te brengen op een wijze die schoonheidsontroering kan brengen." Deze definitie lijkt het meest overeen te komen met wat de meerderheid denkt. Van Dale zegt eveneens ook: "Wat door de mens is gemaakt, in tegenstelling met de natuur, natuurlijke."  We merken al meteen dat de eerste definitie in de tweede past, waarbij men dus kan zeggen dat elke mens een kunstenaar is en dat elke menselijk ontwerp op de een of andere manier schoonheidsontroering kan brengen.
Little Boy Atomic Bomb | Masterpiece Models
is dit kunst?
Wie heeft nu nooit met een mengeling van angst, fascinatie, bewondering en met een esthetisch filter naar Little Boy gekeken, de atoombom die boven Hiroshima op 6 augustus 1945 werd uitgeworpen? Wie heeft nooit naar de verassend plompe neus, de schijnbaar ingewikkelde stabilisatoren gekeken, die met een kubusvorm aan de cilindervormige romp  een verassend geometrisch aspect toevoegen? Wie heeft nooit opgemerkt hoe aangenaam de verhoudingen van het ontwerp zijn, die ons stereotype van een bom bijna benaderen? Little Boy wordt trouwens altijd "mooier" gevonden dan zijn grote, plompe broer Fat Man (Nagasaki), die nog het meest lijkt op een ei en waarvan de vorm ons schijnbaar afstoot.
Dit om maar aan te tonen hoe een definitie soms zo algemeen kan zijn dat ze ons van het "interessante  gedeelte" af kan brengen; we hebben weinig baat bij het esthetisch beschrijven van een van de vernietigendste voorwerpen uit de menselijke geschiedenis. Hier zou het toepasselijker zijn om ethische vragen op te werpen en onderzoeken hoe we de atoombom moreel moeten benaderen.
In elk geval lijkt het dus wat voorbarig om de vraag "Wat is kunst?" met een encyclopedische definitie te beantwoorden. We kunnen ook aan de kunstenaars zelf (Wat is een kunstenaar?), of degenen die zich zo noemen tenminste, vragen wat kunst is.

De Amerikaanse moderne schilder Georgia O'Keeffe (1887-1986) zei: "De ruimte op een "mooie" manier opvullen, dat is wat kunst is."

De beroemde schrijver Frank Lloyd Wright schreef: "Kunst is een ontdekking en ontwikkeling van de elementaire principes van de natuur tot "mooie" vormen die bruikbaar zijn voor menselijk gebruik."

We merken meteen dat in beide definities we het woord "mooi" (beautiful)  tegenkomen, wat eigenlijk opnieuw verwijst naar schoonheidsontroering. Misschien moeten we daar wat meer naar kijken. 
Wat is mooi? Wanneer zijn we door schoonheid ontroerd?
Dit leidt ons tot bij Kant's vier esthetische oordelen van Schoonheid.
Kant zegt dat wanneer we naar iets kijken, iets wat we zelf als bv. kunst beschouwen (iets waar we graag naar kijken), we vier verschillende momenten ervaren die bepalen dat we iets "mooi" vinden.
Eerst stelt Kant dat wanneer we naar iets kijken, we een welbehagen voelen; namelijk een belangeloos (of gedesinteresseerd) welbehagen. We kijken naar iets moois, maar voelen geen nood om het te bezittende; we verlangen niet naar het object.
De filosoof gaat verder met het idee dat er ook een soort algemeen welbehagen is. Dit betekent dat elke mens dit ook mooi zal vinden omdat het representeert wat de mens zelf heeft gemaakt en kan maken.
Ten derde vermeldt Kant dat er een soort doelloze doelmatigheid is. Het doel van het object is zichzelf te tonen, en daarmee stopt het (althans in een esthetisch oordeel). Men is op dat moment niet bezig met het doel van een object; we bekijken het op een niet-functionele manier.
Uiteindelijk zegt Kant dat er, volgend uit het tweede moment, een soort algemene consensus is dat wanneer iemand iets mooi vindt, hij verwacht dat iedereen dat met hem eens zal zijn; hij kan niet begrijpen dat iemand anders het object niet mooi zal vinden.
Als we deze vier momenten kunnen we stellen dat Kant uitgaat van een soort oordeel dat niet is verbonden aan regels of concepten. Het is iets dat bijna instinctief en buiten het bewustzijn omgaat.
File:Venus botticelli detail.jpg - Wikipedia
vrouwelijke schoonheid,
die meteen ook verlangen wekt (erotiek)
Natuurlijk zijn de ideeën van Kant ook niet echt juist of absoluut. Ik geef kritiek op verschillende "momenten".
Men kan bijvoorbeeld naar een prachtige vrouw kijken en meteen naar haar verlangen (Is dit pornografie?).
Niet iedereen houdt van zonsondergangen (iets wat zeker niet door de mens is bewerkstelligt).
Hetzelfde geldt voor het vierde moment. Wanneer een leerkracht en leerling kijken naar een kunstwerk, schiet het misschien door het hoofd van die laatste dat het kunstwerk dat hij mooi vindt, misschien niet door zijn leraar als mooi zal worden beschouwd. De leerling vermoedt namelijk dat de leerkracht hem over enkele ogenblikkelijke zal wijzen op een aantal elementen die het kunstwerk tot "lelijk" degraderen. Een sensus communis is er dus niet altijd. Het enige waar  Kant misschien echt raak heeft geschoten is met de doelloze doelmatigheid. Ik kan enkel met Kant instemmen met het idee dat wanneer men een oordeel van schoonheid doet, men op geen enkel moment een ander doel kan zien in het object dan dat het zichzelf moet tonen. Het heeft (op dat moment) niet de bedoeling om mooi te zijn, want dat zal de persoon eerder zelf wel uitmaken.
Kant stelt ook dat de schoonheid tegenover het sublieme staat. Bij het sublieme beseft de observator dat de mens maar een nietig wezen is bij het zien van een verschijnsel of object. Het gaat zijn verstand te boven en de observator kan slechts nederig accepteren dat hij hetgeen hij ziet niet begrijpt. Hij wordt aangetrokken en is beangstigd door het object en verkeert in die typische tweestrijd. Kan kunst ook uit het sublieme ontstaan of/en het sublieme overbrengen? Het is zeker zo dat bepaalde vormen van kunst zoals bepaalde muziekstukken (Tocata & Fugue van Bach) de kijker overtreffen, hem woordeloos achterlaten en hem bijna in contact brengen met het sacrale (een andere manier van Kant om het sublieme te omschrijven). Soms kan bepaalde kunst een kijker op een gevoelige plek raken (i.v.m. een trauma bijvoorbeeld) en het tremens et fascinanseffect veroorzaken.  Een bijkomende conclusie is dat er een verschil is tussen de hoe de kunstenaar en hoe elke afzonderlijke kijker naar een kunstwerk kijkt, kunst is dus zowel persoonlijk als iets algemeens. Ik zou dus zeggen dat het sublieme wel kan voorkomen bij het bekijken van kunst (men voelt zich soms enorm ongemakkelijk bij bepaalde kunst).
Des tableaux célèbres revisités dans l'univers de Batman
La nuit étoilée
 Soms kan een kunstenaar ook vanuit het sublieme werken. Bij Vincent Van Gogh merk je soms dat hij vanuit een soort onbegrip de wereld heeft geschilderd. In het schilderij La Nuit Êtoilée denk ik dat Van Gogh begonnen is vanuit een gevoel van transcendentie. We zien hoe de hemel op bijna sacrale manier is gevormd. De schilder was dan ook geestelijk instabiel, zoals zijn verdere leven heeft aangetoond. Dit sluit niet uit dat Van Gogh misschien toch heeft geprobeerd iets subliems op het doek te vangen. 


Uit de ideeën van Kant besluit ik dat schoonheid bepaald wordt door iets zeer instinctiefs en bij het aanschouwen van schoonheid een aantal zaken terugkomen zoals de doelloze doelmatigheid van het object. Dit geeft ons een mogelijk antwoord op de vraag wat schoonheidsontroering is of tenminste hoe en wanneer het plaatsvindt. Zo kunnen we de definities van Georgia O'Keeffe en Frank Lloyd Wright beter verstaan.

Er zijn nog andere definities van kunst gemaakt door kunstaars: het kunstenaarsduo Gilbert & Geogre zegt dat hun kunst "de vriendschap is tussen de toeschouwers en onze beelden (hun kunstwerken). Elke afbeelding stelt een 'bepaald perspectief' voor, dat de toeschouwer kan beschouwen in het licht van zijn eigen leven. De echte rol van kunst is om nieuwe manieren van begrip en vooruitgang (Progress and Advancement) te brengen. Elke persoon op aarde is het er over eens dat er plaats is voor vooruitgang."

Wat ik hier uit concludeer is dat ik nog geen stap verder ben gekomen.